Cameron deelt kroonjuwelen uit

Treasure-ChestEngels smeergeld voor de onwillige countryside: Cameron’s beleid is zelfs Ex-Shell topman te gortig.

Professor Michael Jefferson is geen voor de hand liggende criticus van de vastberadenheid van premier Cameron om schaliegaswinning door de strot van de plattelandsbevolking van het Verenigd Koninkrijk (VK) te wringen. Jefferson is bij Shell Chief Economist geweest, en bij de World Energy Council was hij Deputy Secretary General, en nu werkzaam als professor in energiebeleid. Hij schreef onlangs een opmerkelijk artikel dat op de pro-schaliegas website www.naturalgas.europe.com is gepubliceerd. Nederland is natuurlijk het Verenigd Koninkrijk niet, maar Mark Rutte zou best wel eens geneigd kunnen zijn om de schaliegasplannen van zijn vriendje David Cameron onder het kopieerapparaat te leggen. De mening van Jefferson wordt dan ook direct voor ons relevant. Hier volgt de vertaling van zijn artikel.

De Britse Coalitieregering heeft van mei tot augustus 2014 een volksraadpleging gehouden over een voorstel om de bestaande procedures om olie, gas en geothermie uit de grond te kunnen halen te vereenvoudigen. Achter dit initiatief zat de wens van de regering om hydraulisch fracturen (“fracken”) naar gas en olie in het VK gemakkelijker te maken, waar de bestaande procedures (vooral door het recht van grondeigenaren om toegang te blokkeren) als kostbaar en tijdrovend worden gezien. Het resulterende rapport van de Department of Energy & Climate Change (DECC), “Underground Drilling Access: Government Response to the Consultation…” is op 25 September 2014 verschenen. Het rapport heeft een aantal zorgen opgeroepen.
Het rapport richt zich op het vrijstellen van toegang tot gas en olie dat dieper zit dan 300 meter. Meer dan 99% van de respondenten waren tegen dit voorstel, meestal vanwege bezwaren tegen exploratie, winning en gebruik van schaliegas omdat ze tegen vermijdbaar gebruik van fossiele brandstof zijn, en campagnes steunden om dit tegen te gaan. Hun zienswijze werd echter terzijde geschoven, omdat dit niet de vraagstelling van de consultatie was. Dit is, zelfs voor iemand als ik, die in principe schaliegasproefboringen en -winning (met fracken) steunt – mits er duidelijke waarborgen en compensatiemechanismen aanwezig zijn voor als er wat mis gaat – een verontrustende veronachtzaming van de publieke opinie. Het feit dat de meeste tegenstand kwam uit de hoek van mensen die door de voormalige minister van milieu Owen Petersn , werden aangeduid als “de intense publieke ontevredenheid met zwaar gesubsidieerde hernieuwbare energie-technologie, in het bijzonder windenergie op land” neemt deze zorg niet geheel weg.
Als iemand die meer dan twintig jaar geleden begon zich zorgen te maken over het energiebeleid in het VK vanwege ontwikkelingen als het falen van vernieuwde nucleaire technologieën en aardgasopslag zal het geen verrassing oproepen dat ik ernstig bezorgd ben over de ontwikkelingen. Schaliegas zal een bescheiden opbrengst hebben, net als schalieolie, met name als de recente lage olie- en gasprijzen herstellen. Ik heb er ook wel sympathie voor het standpunt dat een enkele grondeigenaar, of een kleine groep grondeigenaren zouden moeten worden ontmoedigd om een schijnbaar wenselijke ontwikkeling tegen te houden door het weigeren van toegang tot hun grond. Echter, er blijven in mijn opinie twee cruciale kwesties over: De noodzaak om zeker te stellen dat, als er iets mis gaat, ten allen tijde volledige compensatie voor de slachtoffers zal worden gegeven door de ondernemers (waaronder ook volledige vergoeding van alle kosten van procedures) zal worden gegeven door de onderneming – dus een vooropgezette en voortdurende verzekering. Daarnaast moeten grondeigenaren zelf ook significante vergoedingen krijgen wanneer er onder hun land geboord wordt, ook als het dieper dan 300 meter is. Het antwoord van de regering (DECC) is op beide punten onbevredigend.

Schaliegasboringen richten zich op een laag die meer dan 1.5 kilometer diep zit en tenminste 3 kilometer horizontaal kan worden vervolgd. Momenteel is voor dergelijke boringen de instemming nodig van alle eigenaren van grond waaronder de boringen zich kunnen uitstekken, en er is geen aanleiding te denken dat dit gaat veranderen voor boringen die minder dan 300 mter diep gaan. Echter, zelfs in de meest kwetsbare landschappen (National Parks, Areas of Outstanding Natural Beauty, etc.) zijn er juridische uitwegen: “toestemming moet worden onthouden, behalve in uitzonderlijke omstandigheden en waar kan worden aangetoond dat dit in het algemeen belang is” (paragraaf 2.132). Gezien het gegeven dat toestemming voor de ontwikkeling van windenergie op land is verleend terwijl de bereikte voortschrijdend gemiddelde capaciteitsfactor onder de 20% bleef steken, in 2010 bijna 60% van de Engelse windenergieprojecten op land er niet in slaagde de 20% te halen (terwijl de richtlijnen voor duurzame energie van de vorige regering toch capaciteitsfactoren claimden tussen de 20 en 50%), en de officiële claim is dat het verbranden van palmolie een voorbeeld is van duurzame energie (kennelijk ondanks de ermee gemoeide CO2-emissies, ontbossing, verlies van habitat en zeldzame soorten), is er zeker reden voor enig cynisme over de regerings-interpretatie van feiten, algemeen belang, en uitzonderlijke omstandigheden.

Dan is er ook nog de zorg dat een regering die voorstelt om vrijwillige overeenstemming tot betalingen te accepteren niet het machtsmiddel achter de hand houdt (of snel zal ontwikkelen) om zulke betalingen door wetgeving af te dwingen als ze niet vrijwillig worden gedaan. Hoe snel zal regelgeving worden ingesteld, en hoe succesvol? Het antwoord van de regering stelt dat “de uitvoerder verantwoordelijk is voor het veilig buiten gebruik stellen van de put(ten) en voor het in de oorspronkelijke staat terugbrengen van de locatie of in een geschikte toestand voor hergebruik” (paragraaf 2.93). Deze zorg wordt nog versterkt door de nogal zorgeloze verwijzing, door de regering, naar de mogelijkheid dat een bedrijf soms moeilijk als verantwoordelijk kan worden aangemerkt: “bijvoorbeeld, in het geval van een faillissement (insolvency)”(paragraaf 2.100). Deze zorgen worden verder gerechtvaardigd door het feit dat , na afloop van de volksraadpleging, invoeren van een nieuwe wet die het bedrijven toestaat om iedere mogelijke substantie in het gebied waar ze fracken te gebruiken en achter te laten – ook onder woonhuizen.

De tweede zorg die ik heb is dat, waar de industrie eerst per boorplaats £100,000 aan geld voor de locale gemeenschap had aangeboden gedurende de exploratiefase, gevolgd door 1% van de opbrengst tijdens de productie (paragraaf 4.37), het antwoord van de regering nu veel restrictiever was en minder royaal. De regering heeft nu het herziene aanbod van de industrie geaccepteerd van eenmalig £20,000 voor iedere horizontale put van meer dan 200 meter (zeker een ridicuul aanbod), alleen maar aan de locale overheid. De regering probeert betalingen aan grondeigenaren te vermijden “vanwege de hogere administratieve last van individuele betalingen en de nominale bedragen die bij individuele betaling zou worden ontvangen” (paragraaf 4.40). Zowel landelijke gemeenschappen als grondeigenaren voelen zich terecht laaiend door deze respectloze behandeling van hun leefomgeving en risico voor hun bezittingen.